Sluiten zonder waarschuwen, niet alleen in het grensgebied?
Uit de
wetsgeschiedenis van artikel 13b van de Opiumwet (Kamerstukken II 2005/2006, 30
515, nr. 3, p. 8, en Kamerstukken II 2006/2007, 30 515, nr. 6, p. 1 en 2)
blijkt dat bij een eerste overtreding in beginsel niet direct tot sluiting van
de woning moet worden overgegaan, maar moet worden volstaan met een
waarschuwing of een soortgelijke maatregel. Van dit uitgangspunt mag in
ernstige gevallen worden afgeweken.
Uit het
beleid zal een dergelijke werkwijze moeten blijken. Er zal in individuele
besluiten gemotiveerd moeten worden waarom in dat concrete geval niet met een
waarschuwing kon worden volstaan (vgl. ECLI:NL:RVS:2014:3941, r.o. 7).
De
Afdeling hanteert sinds 30 juli 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:2859) de lijn dat er in het grensgebied een
uitzondering op dit uitgangspunt geldt. Overwogen werd in die uitspraak dat de
burgemeester van Maastricht, gelet op de bijzondere positie van die gemeente
als grensgemeente, in redelijkheid het beleid kon voeren dat hij een woning in
beginsel sluit wanneer meer dan een gebruikershoeveelheid softdrugs in een
woning wordt aangetroffen. Iets later, op 5 november 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:3941)
heeft de Afdeling overwogen dat de gemeente Rotterdam zich niet op die
uitzondering kon beroepen.
Ook uit
recente uitspraken blijkt dat de grensgemeenten een uitzondering waren: alleen
daar mocht de burgemeester het beleid voeren dat hij in beginsel een woning of
lokaal sluit. In een uitspraak van 14 november 2018 werd overwogen:
“Er bestaat, gelet op de bijzondere
positie die de gemeente Venlo inneemt bij het uitvoeren van de Opiumwet, geen
aanleiding het door de burgemeester gevoerde beleid op dit punt onredelijk te
achten. Vergelijk de uitspraak van 10 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:55.”
Met de
uitspraak van 12 december 2018 lijkt de deur open te staan voor alle
burgemeesters om een beleid te voeren dat woningen of lokalen in beginsel worden
gesloten bij het aantreffen van een handelshoeveelheid drugs. De Afdeling heeft
overwogen:
“Gezien de toenemende overlast van
drugs in gemeenten, met name in het grensgebied, bestaat er, zoals de rechtbank
terecht heeft geoordeeld, geen aanleiding het door de burgemeester gevoerde
beleid op dit punt onredelijk te achten.”
Er wordt
niet (langer) gewezen op de bijzondere positie van de gemeente (Gilze-Rijen in
dit geval), maar op de toenemende overlast van drugs in gemeenten. Het feit dat
die problematiek zich met name in het grensgebied voordoet, lijkt er niet aan
in de weg te staan dat ook andere gemeenten het beleid voeren dat tot voor kort
alleen aan de grensgemeenten was voorbehouden.
ABRvS 12
december 2018, www.rechtspraak.nl: ECLI:NL:RVS:2018:4036
Reacties
Een reactie posten