Onmiddellijke handhaving van de openbare orde
Wat is onmiddellijk? De
onmiddellijkheidseis voor toepassing van artikel 172 lid 3 van de Gemeentewet
moet ruim worden uitgelegd. Onmiddellijke handhaving van de openbare orde in de
zin van artikel 5:23 van de Awb is juist een eng begrip. Beide begrippen komen
aan de orde in een uitspraak van de Afdeling van 21 augustus 2019.
De
burgemeester van Nunspeet heeft bij besluit van 17 november 2017 de eigenaren
van een hond bevolen het dier uiterlijk op 20 november 2017 af te geven aan de
gemeente. Bij het uitblijven van afgifte van de hond werden zij bij besluit van
21 november 2017 gelast om uiterlijk 24 november 2017 alsnog gevolg te geven
aan het bevel tot afgifte. Dit op last van een dwangsom. Op 15 januari 2018
werd een tweede last onder dwangsom opgelegd.
In hoger
beroep betogen de eigenaren van de hond dat de burgemeester zijn bevoegdheid
uit artikel 172 lid 3 van de Gemeentewet niet kon gebruiken om afgifte van de hond
te vorderen. De incidenten die de aanleiding voor het bevel tot afgifte vormden
waren immers meer dan een jaar geleden.
Aan de
toepassing van artikel 172 lid 3 van de Gemeentewet wordt onder meer de
voorwaarde geacht te zijn verbonden dat er sprake is van een
onmiddellijkheidssituatie: er moet zich plotsklaps een actuele en concrete dan
wel een zodanig ernstig dreigende verstoring van de openbare orde voordoen. De
inzet van de zogenoemde lichte bevelsbevoegdheid die volgt uit het artikel moet
een onverwijlde reactie zijn op de onmiddellijkheidssituatie. In die zin is het
betoog van de eigenaren van de hond te volgen.
De Afdeling
heeft de uitspraak van 21 augustus 2019 echter overwogen dat de
onmiddellijkheid die vereist is voor de toepassing artikel 172 lid 3 van de
Gemeentewet ruimer moet worden uitgelegd. De onrust, en daarmee de verstoring
van de openbare orde die voortkwam uit onder meer het verstoppen van de hond
die meerdere buurtbewoners had gebeten, deed zich niet slechts korte tijd na de
incidenten voor, maar duurde daarna voort. Daarom kon de burgemeester zich
volgens de Afdeling in redelijkheid op het standpunt stellen dat zich op 17
november 2017 nog steeds een verstoring van de openbare orde in de zin van
artikel 172, lid 3 van de Gemeentewet voordeed.
Een andere
hoger beroepsgrond die de eigenaren van de hond opwerpen is dat de burgemeester
geen last onder dwangsom aan het bevel tot afgifte mocht verbinden. Artikel
5:23 van de Awb bepaalt namelijk dat de afdeling in de Awb over herstelsancties
niet van toepassing is op de onmiddellijke handhaving van de openbare orde.
‘Onmiddellijke handhaving van de openbare orde’ in de zin
van artikel 5:23 van de Awb moet beperkt worden uitgelegd. De wetgever verwoordt het in de Memorie van
Toelichting (TK 2003-2004, 29 702, nr. 3, p. 154) als volgt:
“Gedacht kan worden aan gevallen waarin de burgemeester bevelen geeft
ter handhaving van de openbare orde indien deze is verstoord, of waarin
opgetreden wordt tegen overtreding van een samenscholingsverbod. Maar wanneer
een burgemeester op grond van een plaatselijke verordening een bevel tot
sluiting van een horeca-inrichting geeft op gronden aan het belang van de
bescherming van de openbare orde ontleend, is op de effectuering van het
sluitingsbevel de regeling van de bestuursdwang van toepassing. Het sluiten
van de inrichting (zo nodig door dicht te timmeren) is immers op zich beschouwd
niet het onmiddellijk handhaven van de openbare orde, doch de handhaving van
het sluitingsbevel. Wel kan het eventueel verwijderen en het verwijderd houden
van café-bezoekers beschouwd worden als het onmiddellijk handhaven van de openbare
orde.”
Deze toelichting wordt in de Nota naar aanleiding van het
Verslag nog als volgt aangevuld:
“De bedoeling van het artikel is veilig te stellen dat bestuursorganen
en onder hun gezag staande politie-ambtenaren niet met de vereisten van art.
5.2.4 en volgende van doen hebben, ingeval zij feitelijke maatregelen moeten
nemen ter onmiddellijke handhaving van de openbare orde. Wij denken hierbij
vooral aan het verwijderen van personen of aan het verwijderen van het verkeer
in ernstige mate belemmerende voorwerpen van de openbare weg. Het moet gaan om
situaties waarin moeilijk vereist kan worden dat bestuursorganen schriftelijk
besluiten gaan nemen. Als wel eerst een aanschrijving bestuursdwang mogelijk is
of in bepaalde gevallen gebruikelijk is, is dat een belangrijke aanwijzing dat
het niet gaat om een geval waarin wordt opgetreden ter onmiddellijke handhaving van de openbare orde. Tegen deze
achtergrond moet het voorbeeld uit de memorie van toelichting begrepen worden.
Het sluitingsbevel (een zelfstandige last) kan met bestuursdwang
geëffectueerd worden, eventueel met toepassing van de regels voor spoedeisende
gevallen (art. 5.2.4, vijfde en zesde lid). Indien vervolgens, ondanks het
sluitingsbevel, cafébezoekers pogen de gesloten inrichting binnen te gaan,
moet het verwijderen van hen als een optreden ter onmiddellijke handhaving
van de openbare orde worden beschouwd. Op dat verwijderen zijn de regels van
afdeling 5.2 niet van toepassing. Zij zijn daar ook niet geschikt voor.”
De Afdeling legt in de uitspraak van 21 augustus 2019 onder verwijzing naar de hiervoor opgenomen passage uit de Memorie van Toelichting uit dat de regeling van de last onder dwangsom van toepassing is op de door de burgemeester genomen besluiten ter effectuering van het bevel. Het gaat dus om de besluiten van 21 november 2017 en 15 januari 2018 waarbij gelast werd te voldoen aan het bevel, en niet om het op grond van artikel 172 lid 3 van de Gemeentewet gegeven bevel zelf van 17 november 2017.
ABRvS 21 augustus 2019, www.rechtspraak.nl: ECLI:NL:RVS:2019:2814
Reacties
Een reactie posten