Drugs zijn bestemd voor de handel
Al
vaker hebben we aandacht besteed aan de vaste lijn van de Afdeling in
artikel 13b Opiumwetzaken, die kort gezegd inhoudt dat woningen uitsluitend
gesloten kunnen worden als er drugshandel vanuit de woning plaatsvindt. In twee
zaken die hebben geleid tot uitspraken op 1 mei 2019 werd door de appellanten
aangevoerd dat de aangetroffen drugs niet voor de handel bestemd waren en dat
de burgemeester daarom niet bevoegd was de woningen te sluiten.
Tegen een woningsluiting voor zes maanden door de
burgemeester van Nuth (nu: Beekdaelen) werd aangevoerd dat de aangetroffen 0,8
gram cocaïne voor eigen gebruik was, zogenoemde snowseals geen indicatie voor
handel vanuit de woning zijn, het aangetroffen geld geen verband heeft met
drugshandel, er overigens geen attributen werden aangetroffen die verband
hebben met drugshandel, dat die handel in Heerlen plaatsvond en de voorraad
cocaïne in de woning van de vrienden van appellant lag. De Afdeling heeft
overwogen dat de burgemeester toch bevoegd was. Daartoe wordt onder meer
overwogen dat de stelling dat de in een matras aangetroffen € 1.500,-- in het
casino werden gewonnen niet werd onderbouwd en dat hetgeen in de woning
geconstateerd werd, waaronder de onbewoonde indruk ervan, voldoende was om
handelsactiviteiten aan te nemen.
De tweede zaak betreft een woningsluiting voor twaalf
maanden door de burgemeester van Heerlen. Daartegen werd aangevoerd dat uit de
informatie van de politie niet blijkt dat sprake was van feitelijke handel in
drugs, van enige bekendheid van de woning als drugspand of van druggerelateerde
overlast. In deze zaak heeft de Afdeling overwogen dat het feit dat geen
druggerelateerde overlast of feitelijke drugshandel ter plaatse zou zijn
geconstateerd geen afbreuk doet aan de noodzaak van de last. Gelet op hetgeen
in de woning werd aangetroffen (naast meer dan maximale gebruikershoeveelheden
drugs ook wapens) mocht worden aangenomen dat de woning een rol vervulde binnen
de keten van drugshandel.
De Afdeling lijkt met name in de eerste zaak strenger dan bijvoorbeeld
in de zaken die leidden tot de uitspraken van 30 augustus 2017
(ECLI:NL:RVS:2017:2327) en 29 november 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:3251). In die
zaken was de aannemelijkheid dat handelsactiviteiten elders plaatsvonden (bij
een ex-partner of vanuit een auto op straat) voldoende om het verband tussen de
drugs en de woning op zijn minst in twijfel te trekken.
ABRvS 1 mei
2019, www.rechtspraak.nl: ECLI:NL:RVS:2019:1433
ABRvS 1 mei 2019, www.rechtspraak.nl: ECLI:NL:RVS:2019:1435
ABRvS 1 mei 2019, www.rechtspraak.nl: ECLI:NL:RVS:2019:1435
Reacties
Een reactie posten