"Verstop het snel"
In een uitspraak van de
Afdeling van 15 juli 2020 zitten enkele voor de praktijk relevante elementen
verstopt. De verzendtheorie krijgt een nieuwe invulling en uiteengezet wordt
wanneer een rechtbank zelf in een zaak kan voorzien. Daarnaast schetst de Afdeling
nog eens het (volledige) toetsingskader van een woningsluiting op grond van
artikel 13b van de Opiumwet.
De
uitspraak van de Afdeling van 15 juli 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:1682) is om drie redenen interessant:
1. de Afdeling geeft vanaf nu een ruimere
uitleg aan de zogenoemde verzendtheorie;
2. de Afdeling zet het gehele
toetsingskader van een sluiting op grond van artikel 13b van de Opiumwet nog
eens uiteen (ditmaal anders dan in de
overzichtsuitspraak van 28 augustus 2019 met inbegrip van de beoordeling
van de bevoegdheid van de burgemeester);
3. de Afdeling legt uit onder welke
omstandigheden de rechtbank zelf in een zaak kan voorzien (en wanneer juist niet).
Een
vierde reden is wellicht dat er een bijzonder feitencomplex aan de zaak ten
grondslag ligt. Politieagenten zijn op 5 januari 2018 naar een Rotterdamse woning
gegaan vanwege een melding van huiselijk geweld. Eenmaal daar aangekomen spraken
zij met twee van de daar woonachtige vier kinderen van het echtpaar dat de woning
huurt. Ze hoorden de vrouw, in de deuropening naar een slaapkamer, zeggen:
“verstop het snel”. In die slaapkamer werd een handelshoeveelheid harddrugs
aangetroffen. De burgemeester heeft de woning vervolgens gesloten voor de duur
van zes maanden.
Het
bezwaar van de man werd ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het beroep
gegrond verklaard, het besluit vernietigd en in plaats daarvan een bestuurlijke
waarschuwing aan de man opgelegd. De burgemeester heeft tegen die uitspraak
hoger beroep ingesteld, de man heeft incidenteel hoger beroep ingesteld.
De
eerste hobbel in het hoger beroep is een procedurele en hij is snel genomen. De
hoger beroepstermijn liep tot en met 5 juni 2019. De burgemeester had zijn
hogerberoepschrift via Sandd verstuurd en het werd door de Afdeling ontvangen
op 7 juni 2019. Normaal gesproken, gelet op het bepaalde in artikel 6:9 lid 2
Awb, te laat. Want niet met PostNL verstuurd. De Afdeling legt artikel 6:9 Awb
vanaf nu echter in
navolging van de Centrale Raad van Beroep ruimer uit: een bezwaar- of
(hoger)beroepschrift is ook tijdig ingediend als het voor het einde van de
termijn bij een ander (bij de ACM geregistreerd) postvervoersbedrijf ter post
is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is
ontvangen.
De
burgemeester heeft in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft
overwogen dat hij onvoldoende gemotiveerd zou hebben dat de gevolgen van de
sluiting niet onevenredig zijn. In het incidenteel hoger beroep voert de man
aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de burgemeester bevoegd
was om de woning te sluiten.
De
Afdeling begint in de uitspraak, logischerwijs, bij de bevoegdheid. Was de
burgemeester immers niet bevoegd, dan kon de burgemeester de woning niet sluiten.
De Afdeling heeft verwezen naar het beoordelingskader zoals uiteengezet in een
uitspraak van 14 maart 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:831).
In beginsel is het aantreffen van een handelshoeveelheid drugs genoeg om
verkoop aan te nemen, tenzij de overtreder overtuigende feiten en
omstandigheden aanvoert waaruit volgt dat het om een hoeveelheid voor eigen
gebruik gaat. Vervolgens
heeft de Afdeling overwogen dat de enkele verklaring dat de drugs voor eigen
gebruik waren niet voldoende is om de aanname dat een handelshoeveelheid drugs
bestemd is voor verkoop, aflevering of verstrekking van tafel te krijgen.
Bij
de bespreking van het hoger beroep van de burgemeester heeft de Afdeling onder
verwijzing naar de overzichtsuitspraak van 28 augustus 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:2912)
uiteengezet dat de burgemeester altijd de noodzaak van de sluiting moet
beoordelen. Dit moet gebeuren aan de hand van de ernst en de omvang van de
overtreding. Daarna moet worden beoordeeld of de sluiting evenredig is. De
ernst en omvang van de overtreding acht de Afdeling voldoende voor een sluiting.
Vervolgens heeft de Afdeling overwogen dat de aanwezigheid van kinderen niet
per definitie een bijzondere omstandigheid in de zin van artikel 4:84 van de Awb
is, op grond waarvan een sluiting onevenredig zou zijn. In dit geval echter
heeft de burgemeester zich er niet van vergewist of er een minderjarig kind in
de woning woonde. Ter zitting bij de Afdeling is pas gebleken dat dat zo was. Omdat
het belang van dit kind niet in de besluitvorming is meegewogen kleeft er een
motiveringsgebrek aan het besluit.
De
burgemeester had in hoger beroep ook nog aangevoerd dat de rechtbank ten
onrechte zelf in de zaak had voorzien. De Afdeling volgt de burgemeester daarin. De Afdeling is er namelijk niet van overtuigd dat er geen andere
uitkomst van het geschil zou kunnen zijn dan de waarschuwing zoals de rechtbank
die heeft opgelegd. De Afdeling heeft de burgemeester opgedragen om een nieuwe
beslissing op bezwaar te nemen.
ABRvS
15 juli 2020, www.rechtspraak.nl: ECLI:NL:RVS:2020:1682
Reacties
Een reactie posten