Ontruiming woonwagenstandplaatsen
Landelijk is het er nodige te doen geweest over door
gemeenten gehanteerd uitsterfbeleid ten aanzien van woonwagenstandplaatsen.
Waarschijnlijk mede in reactie daarop heeft de gemeente Mill en Sint Hubert een Beleidskader
gemeentelijke woonwagen- en standplaatsenbeleid opgesteld. Vooruitlopend op dat beleid werden percelen
van de gemeente in gebruik genomen om een standplaats veilig te stellen. Dit
terwijl er voor deze locatie al een belangstellendenregister bestond.
De gemeente Mill en Sint Hubert heeft hierop in kort geding
bij de rechtbank Oost-Brabant – kort gezegd - de ontruiming van woonwagenstandplaatsen
gevorderd. Aan die vordering had de gemeente ten grondslag gelegd dat de
bewoners zonder recht of titel verbleven op percelen van de gemeente. Dat is
onrechtmatig. Daarnaast zijn de percelen ongeschikt voor het plaatsen van
caravans en ervaren omwonenden hiervan overlast.
De gemeente was ook een bestuursrechtelijk handhavingstraject
gestart. Tijdens de zitting bij de civiele kortgedingrechter werd duidelijk dat
de voorlopige voorziening van de bewoners strekkende tot de schorsing van een
in dat kader genomen last onder bestuursdwang werd afgewezen. De gemeente kon
dus tot ontruiming overgaan op grond van de last onder bestuursdwang. Gelet
hierop zag de kortgedingrechter geen spoedeisend juridisch te respecteren
belang bij de gevraagde voorzieningen. De vorderingen van de gemeente werden
afgewezen.
Waar de gemeente eigenaar is van percelen, waar tevens een
overtreding plaatsvindt waartegen bestuursrechtelijk kan worden opgetreden, is
het om meerdere redenen aan te raden om in eerste instantie de bestuursrechtelijke
weg te volgen. Er geldt een beginselplicht tot handhaving en kosten van
bestuursdwang kunnen op de overtreders verhaald worden. Wanneer al een bestuursrechtelijk
traject is ingezet kan zekerheidshalve, zoals in deze zaak, een civielrechtelijke
vordering ingesteld worden. Is het bestuursrechtelijke traject succesvol, dan
ontbreekt echter het belang bij een dergelijke vordering.
Rb Oost-Brabant 26 november 2018, www.rechtspraak.nl: ECLI:NL:RBOBR:2018:5854
Reacties
Een reactie posten